Petrus Jozef Triest wordt op 31 augustus 1760 in een welstellende familie in Brussel geboren. Hij loopt school in Geel en in Leuven. Hij doet zijn priesterstudies in Gent en wordt in 1786 tot priester gewijd.
Eerst is hij actief in Blaasveld, later wordt hij onderpastoor in Asse. Tegelijkertijd doet hij dienst in Mechelen, dat op dat ogenblik zwaar te lijden heeft onder de tyfusepidemie. Hij verzorgt er de zieken. In 1797 wordt hij pastoor in Ronse. In die periode weigert hij de eed van trouw aan de Franse Republiek en moet hij een tijd onderduiken. In de buurt van zijn parochie richt hij een weeshuis en een armenschool op.
Van Ronse verhuist Triest naar Lovendegem, waar hij in 1803 de congregatie van de Zusters van Liefde opricht voor het onderricht van arme kinderen en de opvang van wezen. In 1805 verhuist Triest naar Gent, waar hij verantwoordelijk wordt voor de abdij Terhagen. Daar worden ongeneeslijk zieken verzorgd en begeleid. Twee jaar later wordt hij benoemd tot kanunnik. Hij wordt lid van de Commissie van Godshuizen en directeur van het stedelijk hospitaal de Bijloke. Daar situeert zich de oorsprong van de Broeders van Liefde: hij heeft er enkele mannen gevraagd om mee orde op zaken te stellen en zieken te verplegen.
Dankzij Triest komt er een grotere humanisering in de zorg voor de geesteszieken in de stad. Om dit ook op een deskundige, professionele manier te doen spreekt Triest dokter Guislain aan. Naast de zorg voor ongeneeslijk zieken, bejaarden en geesteszieken wordt ook onderwijs gegeven aan de arme kinderen van de streek.
In 1823 sticht Triest de congregatie Broeders van Sint- Jan de Deo als thuiszorgers. Hij start scholen voor doofstommen en blinden. Voor de opvang van wezen en vondelingen sticht Triest in 1835 de congregatie Zusters Kindsheid Jesu.
Op 24 juni 1836 sterft Triest in Gent met als laatste woorden: ‘Geef en U zal gegeven worden’. Hij werd begraven in Lovendegem.
|